De halfjaarlijkse controle, door Ellen Dros

Het is weer tijd voor de halfjaarlijkse controle en omdat we altijd een gezinsafspraak maken, rijden we op een zonnige maandagochtend naar de tandarts. Beide dochters zitten stoer op de achterbank en IK… ik vrees met grote vrezen. Ik ben namelijk altijd een beetje bang voor de tandarts, maar dat mag niemand weten. Zeker mijn kinderen niet.

De stoel

Gelukkig heb ik een sterk gebit en nooit iets ernstigs, maar toch vind ik het iedere keer weer spannend. Tenslotte ben ik niet meer piep en volgens mij ben je dan op een dag toch echt een keer aan de beurt. Mijn man en kinderen gaan altijd als eerste en wanneer ik dan uiteindelijk aan de beurt ben en “het publiek is vertrokken”, naar respectievelijk werk en school, neem ik met klotsende oksels plaats op “de stoel”.

Braaf vouw ik mijn handen over mijn buik en realiseer ik me dat ik er uit moet zien als iemand die ligt opgebaard. Tenslotte leg ik mijn handen zo losjes mogelijk op de leuningen van de stoel en staar als een bang konijn in de prachtige bruine ogen van mijn tandarts. “Geen klachten?” vraagt hij en ik zeg, geheel naar waarheid, dat ik nergens last van heb. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hem een paar instrumenten pakken en even daarna voel ik het koude scherpe haakje door mijn mond gaan. Nauwlettend volg ik het hele traject. Tergend langzaam verplaatst hij het instrument langs mijn gebit en net als ik opgelucht adem wil halen, steekt hij het opeens venijnig tussen twee kiezen. Ik vlieg zowat tegen het plafond.  “Mhh…een beetje gevoelig” hoor ik hem mompelen en het zweet breekt mij uit als hij met het haakje om de kies heen gaat morrelen. “Deze oude vulling moeten we maar eens gaan vervangen” zegt hij of het de gewoonste zaak van de wereld is. “Zo… alleen nog even wat tandsteen weghalen en dan ben je weer klaar”.

Ik weet inmiddels wat dat betekend en zet mij schrap, als voor een driedubbele rit in de achtbaan. Terwijl ik mijn ogen stijf dicht knijp voel ik het venijnige haakje langs mijn tanden gaan. Het snerpende geluid gaat me door merg en been en stevig grijp ik de leuningen van de stoel vast. “Probeer maar een beetje te ontspannen”, hoor ik hem vriendelijk zeggen en kreunend onderga ik de rest van de behandeling die in mijn beleving zeker een uur duurt. Na vijf minuten heb ik spieren in mijn armen waar Arnold Schwarzenegger jaloers op zou zijn geweest en dan opeens, ben ik klaar.

Ik moet dus een afspraak maken om een lekkende vulling te vervangen en braaf meld ik mij bij de assistente. ”Zo, u wilde nog een afspraak maken?” vraagt ze vriendelijk en ik zie dat ze een groot boek pakt. “Nou willen, is een groot woord”, grap ik en ze kijkt verbaasd aan. Ik haast me om te zeggen dat het mijn hobby niet is en nooit zal worden en ze lacht me begripvol toe. “Nou… u boft” hoor ik haar zeggen. “Het kan pas over drie weken. U kunt zich dus nog even psychisch voorbereiden”. We lachen even samen om de grap, maar voor mij is het eigenlijk helemaal geen grap, want het ergste moet nog komen.

“Hoe was het bij de tandarts”, vraagt mijn man ’s avonds tijdens het eten en vol verwachting kijken drie paar ogen me aan. ‘t Is altijd een soort van wedstrijdje hier bij ons thuis. Zo van: Wie heeft er niks en wie heeft er wel iets.

“Oh… mama had alleen een beetje tandsteen”, hoor ik mezelf luchtig zeggen “En jullie?”

“Wij hadden lekker helemaal niks, hè papa”, roept mijn jongste dochter triomfantelijk en op dat moment vind ik haar even een heel vervelend meisje. “Oh ja…” zeg ik na een paar minuten, “Ik moet over drie weken nog wel even terug komen om een oude vulling te laten vervangen, maar dat stelt niks voor”. “Nou…!”  hoor ik mijn man zeggen, “Dat is echt niet leuk hoor. Ze boren namelijk eerst je oude vulling er helemaal uit, verdiepen het gat nog eens extra tot aan je zenuw en dan proppen ze hem weer vol. Noem dat maar niks!” Ik probeer te lachen om dit misplaatste grapje en houd me groot voor de kinderen. Hij lacht. Héél gemeen. Krampachtig probeer ik de brok in mijn keel weg te slikken en een gevat antwoord te bedenken en dan neemt mijn oudste dochter het voor me op: “Dat is helemaal niet leuk hoor papa. Misschien doet dat wel hartstikke zeer” en boos kijkt ze haar vader aan. “Ach, laat papa maar lieverd’, zeg ik. “Papa maakt alleen maar een grapje. Het wordt altijd verdoofd, dus als het goed is, voel je er helemaal niets van”.

“Ja, ja… als het goed is”, gaat hij lachend verder en op dat moment wens ik hem even een complete behandeling voor een kunstgebit toe. ZONDER VERDOVING!

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top