Het kind in mij, door Ellen Dros

Langzaam word ik wakker en kijk de kamer rond. Het is mijn eigen kamer en mijn eigen bed, maar toch? De gordijnen zijn nog dicht en in de verte hoor ik de geluiden van de straat: De naderende stadsbus “Lijn negen Schepenbuurt”, de visboer die zijn vracht binnen krijgt en de metalen mandjes van de kruidenier

op de hoek. Het is vandaag zaterdag, maar ik slaap uit! Ik ben tenslotte de afgelopen week iedere dag naar school geweest en dat hakt er flink in bij een puber.  Ik weet dat mijn bordje met een beschuitje hagelslag beneden al klaar staat, dus ik draai me nog maar eens lekker om. Gniffelend denk ik aan mijn grote zus, die daar altijd zo kwaad om kan worden. “Laat ze dat toch zelf doen” zegt ze steeds, maar mijn moeder legt uit dat het gewoon makkelijk is omdat ze dan de ontbijtboel op kan ruimen en ik daarna geen rotzooi meer maak.  “Hoe laat zou het zijn?” Ik zoek naar mijn radiowekker. “Hee… waar is die nou?” Dan opeens hoor ik een scherp piepend geluid en gelijk ben ik helemaal wakker. Het geluid is van de stoellift en dat betekend dat mijn moeder op weg is naar beneden.  Met een smak beland ik in de tegenwoordige tijd en ben ik gelijk 35 jaar ouder.

Natuurlijk weet ik waar ik ben… Ik slaap bij mijn moeder om voor haar te zorgen, want mijn vader ligt in het ziekenhuis. Zes weken geleden heeft hij een zware hersenbloeding gehad en helaas zal hij zal nooit meer mijn oude Pa worden. De eerste twee weken heb ik alleen maar gehuild, daarna kwam het geregel en nu zit ik in een soort van “Niemandsland” waar niemand wil zijn.   Alweer vijftien jaar woon ik in Apeldoorn en mijn zus in Hoorn. Heen en weer rijden kost teveel tijd en een vermogen aan benzine en dus hebben mijn zus en ik een schema gemaakt voor wie er bij Ma slaapt en bij Pa op bezoek gaat.

Ik zie inmiddels dat het negen uur is en realiseer me opeens dat mijn jongste dochter nu zit te ontbijten met haar papa. Haar grote zus niet natuurlijk … die ligt nog op één oor. Bijna zestien is ze en de hele week naar school geweest en… ach ja, dat hakt er flink in bij een puber. Ik moet even lachen, want terwijl ik dit schrijf weet ik dat ze hierin op mij lijkt. Ik zet mijn blote voeten op de tapijttegels en kijk de kamer rond.  Ja… er is wel heel erg veel veranderd hier sinds ik het huis uit ben. Mijn eigen bed met nachtkastje en bijbehorende klepkast staan er nog, maar het mooie is eraf. Ooit had ik dat zelf gekocht van mijn eerste salaris omdat ik mijn nieuwe kamer gezellig wilde maken. Een plekje voor mezelf wilde ik hebben en toen mijn zus naar Engeland vertrok om een jaar als  Au-pair te gaan werken, wist ik niet hoe snel ik haar kamer in moest pikken. Ik had er een echt huiskamertje van gemaakt hier. Een eigen TV’tje, een stereo/cassettedeck (zoals dat toen nog heette) en de schoorsteen met het rode “Pelgrim” gaskacheltje ervoor. Ik schuif de gordijnen een beetje opzij en kijk de straat in. Niks kruidenier op de hoek maar een Marokkaans koffiehuis en ook de visboer heeft plaats gemaakt voor een soort van makelaar. Omdat dit een studentenstad is gaan de huizen hier in deze buurt als broodjes en al in de eerste week na mijn vaders ziekenhuisopname stond betreffende makelaar op de stoep met een keurige map onder zijn arm. “Voor het geval we binnenkort willen gaan verkopen nu meneer in het ziekenhuis is opgenomen”, zei de gladjanus met het veel te bruine hoofd. Ik heb het regelrecht bij het oud papier gekieperd. De brutaliteit! Als ik het gordijn verder open wil doen stoot ik bijna een paar uigedroogde orchideeën van de vensterbank. Ik moet er een beetje om lachen, want mijn vader deed zo zijn best om ze weer in bloei te krijgen.

Beneden staan de mooie, diverse kleuren en allemaal in bloei. Het gezegde: “Achter de geraniums zitten” gaat voor mijn ouders niet op, want zij zitten al jaren achter hun orchideeën.

Wordt vervolgd…

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top