Het kind in mij … (vervolg), door Ellen Dros

Ik loop naar de badkamer en zet de douche aan. Ik weet nog dat er vroeger een lavet was. We waren de eerste in de straat, volgens mijn moeder. Het lavet was heel hoog en van gemêleerd graniet en als kind kon ik er uren in badderen. Pas toen ik het huis uitging kwam er een douchecabine.

Ik klap het douchestoeltje naar beneden en ga er even op zitten. “Best makkelijk… zittend douchen” grinnik ik in mezelf. Als ik ben aangekleed hoor ik de liftstoel piepend omhoog komen. Ik vind het nog steeds een komisch gezicht hoe zij daar, zittend in haar nachtjapon, langzaam omhoog schrijdt. “Net Willemina” zei mijn vader weleens. “Ze moet alleen nog zwaaien”. Ja… hij had humor, die pa van mij. Voordat ik mij langs het stoeltje naar beneden wring kijk ik nog even in mijn kleine kamertje. Hier heb ik als baby en kleuter geslapen. Eerst in een ledikantje en later in een kort bed, want als ik zeg klein kamertje, dan bedoel ik ook klein kamertje. Het ligt namelijk recht boven de hal. Ik kijk om me heen en weet nog goed dat er een versjesstrook op de muur zat geplakt en hoe ik samen met mijn moeder de versjes zong voor het slapen gaan: “Moriaantje zo zwart als roet” en “Holle bolle Gijs zat op een wagen”.

Ach, wat vliegt de tijd

Het bed is weg maar de kast erboven hangt er nog. De oranje deurtjes, die toen in de mode waren, zijn inmiddels beige. Nieuwsgierig schuif ik één van de deurtjes opzij en verbaast staar ik naar tientallen oude verfblikken, bakjes met harde kwasten en verroestte plamuurmessen. “Ach, de lieverd. Hij kon niets weggooien”. Het kastje had hij trouwens speciaal voor mij gemaakt. Mijn vader kon alles en ook al was hij helemaal geen timmerman, wat zijn ogen zagen maakten zijn handen. Zo weet ik nog goed dat hij eens een vierpersoons-stapelbed heeft gemaakt voor in ons tenthuisje. Mijn zus en ik sliepen boven en zij beneden. Heel speciaal want dat had  niemand.  “Pietje precies” was mijn vader en hij deed graag dingen voor andere mensen. Mijn moeder noemde hem wel eens smalend: “Het goede heertje”, maar het interesseerde hem niets.

Een traan glijdt over mijn wang als ik me realiseer hoe hij er nu aan toe is. Na de hersenbloeding is er niets meer over van de pa die hij ooit is geweest.

Zo meteen gaan we naar hem toe en dan hoop ik dat hij mij als zijn dochter herkent. Gisteren was ik nog bij hem en heb toen in zijn oor gefluisterd dat ik heel veel van hem hou. Hij knikte en kneep in mijn hand en toen wist ik dat hij het had begrepen. Nee… het kind in mij kan haar vader nog lang niet missen, maar weet dat het zo niet veel langer meer kan duren. Hij is met zijn laatste beetje bezig. Er blijft een stukje beschuit in mijn keel hangen en ik neem nog maar eens een flinke slok thee. “Kom op El … “, zeg ik tegen mezelf. ”Het leven gaat door. Pluk deze dag!”

Wil je meer lezen van Ellen? Kijk dan hier

1 reactie op “Het kind in mij … (vervolg), door Ellen Dros”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top