Ingezonden brief: Te laat, door Jolanda Fennema

Vandaag gebeurde het even. Zo’n flashback naar mijn jeugd. Ik merk dat het vaak gebeurt als ik iets zie bij mijn eigen kinderen wat ik herken. De ochtend is hier vaak zo’n spitsmoment. We lopen allemaal over het kleine halletje. De één op weg naar de douche, de ander naar de kamer om zich aan te kleden. De volgende komt van zolder, aangekleed met handen vol spullen op weg naar het ontbijt. In paniek rent er een gezinslid de zoldertrap op. ‘Ik ben al laat en kan mijn gymspullen niet vinden.’ Zo’n filemoment in je huis.

Opeens is de chaos compleet als zoon ontdekt dat zijn fietssleutel met daaraan de kluisjessleutel van school niet in de la ligt en niet heeft overnacht bij de andere sleutels. Druk heen en weer rennend zoekt hij en haalt alles van zijn plek. Dat terugzetten zal vast mij ten beurt vallen! Maar goed. Chaos alom. Mijn tactiek is dan om te vragen naar wat hij gisteren als eerste heeft gedaan toen hij thuis kwam. Vervolgens ga ik dan alle plaatsen na waar hij is geweest vlak na terugkomst uit school. Zoon wordt daar alleen nog maar drukker van, vooral in woorden! En dan herken ik iets van mezelf. Niet door zijn verwijtende woorden. Niet door zijn drukke doen of zijn laksheid om zijn spullen goed op te ruimen. Maar de angst in zijn ogen. De angst om te laat op school te komen. Dat herken ik. Misschien was ik in dat opzicht wel het braafste meisje van de klas. Ging soms wel een half uur te vroeg weg, zodat ik zeker wist dat als ik pech zou krijgen met de fiets, ik op tijd zou zijn! Ik koos ook meestal voor de langste route. De route die mijn ouders graag wilden. Langs de doorgaande weg en door de woonwijken. De andere, korte route ging door het bos, langs het water en weilanden. Maar ook langs een groot landhuis waar een instelling was gevestigd om drugsverslaafden te begeleiden. Niet dat je er ooit beangstigende dingen zag, nee. Het straalde in mijn ogen altijd heel veel rust en vrede uit.

Maar goed, dat was de weg die veel van mijn klasgenoten vaak namen als ze aan de late kant waren. Ik niet! Mijn ouders hadden gezegd dat ik daar niet langs moest gaan, dus dat deed ik ook niet. Tot die dag dat ik ongeveer een kilometer van huis een lekke band kreeg. Ik was op tijd weg gegaan. Geen bandenplakspul bij me. En dan sta je daar! Het enige wat boven kwam was angst. Angst om te laat te komen. Ik was nog nooit te laat gekomen! Ik moest en zou zo snel mogelijk naar school. Kon toen niet op het idee komen dat ik misschien beter even naar huis had kunnen lopen om mijn fiets te verwisselen. Dan had mijn moeder even contact op kunnen nemen met school om te zeggen dat ik waarschijnlijk iets later kwam. (Een mobieltje had ik nog niet en mijn ouders hadden ook geen auto om me snel even op te halen.) Nee, ik ging als een gek lopen naast mijn fiets! Ik koos voor de korte route. Door angst voor te laat komen gedreven liep ik met fiets in de hand over het mulle zand. Langs de zorgboerderij. Er stond iemand langs het pad druk te schoffelen. Hij sprak me aan, groette me en wenste me een goede dag. Normaal zou ik als een angstig klein meisje in huilen uitbarsten. Maar nu niet. Mijn angst voor te laat komen was groter dan mijn angst voor deze man. (Die in mijn gedachten de meeste gevaarlijke man zou moeten zijn voor mij door alle vooroordelen die zonder terughoudendheid door de dorpsbewoners werden geuit over de bewoners van deze zorgboerderij.) Hij bood zelfs aan om mijn band te plakken! Dat was een brug te ver. Ik zei dat ik niet zo heel ver meer hoefde, nog maar 4 kilometer, en dat ik wel ging lopen.

Als ik nu nog denk aan hoe ik mij toen voelde! Zo bang om te laat te komen, om een aantekening te krijgen! Dat gevoel is niet in woorden uit te drukken. Toen de school in zicht kwam, was ik toe aan een douche en een groot glas water! Ik keek op mijn horloge. Het eerste uur zou nog 10 minuten duren. Nog even een laatste sprint, rennend met fiets aan de hand hijgend, zwetende en totaal overstuur het fietsenhok in. De conciërge stond te vegen. Met een briefje van hem moest ik dan naar de onderdirecteur. Dat wist ik. Zou ik een uitbrander krijgen? Zou ik de hele week na moeten blijven? Opeens bedacht ik me dat ik niet wist wat er gebeurt als je een keer te laat komt. De conciërge was een kei van een vent. Hij zei: ‘Wat is er met jou?’ Ik barstte in tranen uit en al hakkelend zei ik: ‘Ik heb een lekke band!’ ‘En je hebt een heel eind hard gelopen’, was zijn aanvulling. Hij nam me mee naar de keuken. Zei dat ik moest gaan zitten, kreeg water en liep toen zelf naar het kamertje van de onderdirecteur. Samen kwamen ze terug. Breed lachend. De onderdirecteur zei: ‘Wat fijn dat jij een keer te laat komt!’ ‘Blijf even zitten tot het volgende uur en ga dan naar de les.’

Toen ik ’s middags op mijn fiets met geplakte band, door de conciërge, weer naar huis fietste dacht ik: ‘Is dat nou alles? Heb ik me daar zo druk over gemaakt?’ Ik besloot terug te fietsen langs de route die ik vanmorgen gelopen was. Met een grote glimlach groette ik de mensen die ik tegenkwam. Ik had vandaag één ding geleerd. Angst maakt dat je de wereld niet kunt zien zoals die is. Dat je van je medemens vreselijke mensen maakt in jou gedachten. Dat regels er nooit zijn om je af te breken, maar om je te helpen. Soms denk ik dat we wel een reclamecampagne zouden kunnen beginnen: ‘Angst maakt meer kapot dan je lief is.’ Vanaf die dag wist ik dat ik sterker kan zijn dan mijn angst. Vanuit mezelf kan ik dat, maar ook door de ander.

Terwijl zoon haastig de steeg uitfietst, spreek ik de wens uit dat hij diezelfde ervaring ook eens zal hebben.

Volg Jolanda op twitter: @jolandafennema

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top