Thijmen fietst

Thijmen fietst. Van mijn schoonouders kreeg hij een schitterende loopfiets, waar hij superblij mee is. Hij stapt moeiteloos op en af, loopfietst de hele oprit en de hele straat op en neer, is er voorzichtig mee en snapt hoe de standaard en handrem werken. Hij kan ermee aan de hand lopen, gaat ermee naar de kinderboerderij en weer terug, gaat zelfs aan de kant als ik hem zeg dat er iemand langs wil. Voor ik het weet, is hij de oprit afgefietst op weg naar de buurkinderen. Om samen te spelen.

Thijmen fietst. En ik ben trots en bang tegelijk. Trots dat hij zomaar zelf naar de andere kinderen gaat, trots dat hij zo makkelijk met hen speelt, trots ook dat zij hem zonder meer accepteren. Hij hoort erbij. Ze komen hem ophalen om samen te gaan spelen. Hij blijft keurig met zijn loopfietsje op de stoep, gaat niet de straat op, precies zoals ik hem verteld heb. Zonder problemen gaat hij een heel eind de straat in, wel tien huizen verder – en de huizen staan bij ons een eindje uit elkaar – en komt ook weer terug. Altijd weer vindt hij zijn eigen huis terug. Het lukt hem zelfs niet in zijn broek te plassen. En toch vind ik het eng. Ben ik bang dat hij verdwaalt. Dat er allerlei enge dingen gebeuren die alleen in mijn hoofd realistisch zijn. Als hij buiten is en ik een ambulance dichtbij hoor, slaat mijn hart een slag over. Ik zal het hem nooit laten merken. Gaat hij te ver, dan ben ik even boos: ‘Ik was je kwijt!’ Waarna hij thuis met een grote grijns tegen zijn vader zei: ‘Ellen was mij kwijt!’ De smurf.

Thijmen fietst. Hij wordt groot. Hij gaat zijn eigen gang, slaat zijn vleugels uit, ontdekt de wereld. Met terugwerkende kracht snap ik alle bezorgdheid die mijn ouders hadden toen ik dat deed. En ben ik des te blijer dat ze mij gewoon lieten. Dat ik op mijn negende vanaf ons huis in het centrum van Goes helemaal naar het Goese Sas of het Goese Meer mocht fietsen. Dat waren behoorlijke stukken toen. Ik mocht ook alleen naar een vriendinnetje fietsen dat vier kilometer verderop woonde. Waarbij ik altijd vergat hoe ik terug moest en altijd weer de watertoren gebruikte als oriëntatiepunt. Want vanaf daar wist ik de weg weer. Ineens begrijp ik ook waarom mijn moeder wilde dat ik even belde als ik was aangekomen. Toen vond ik dat maar stom.

Kleine kinderen worden groot. Gisteren hebben we het aanmeldformulier voor school ingevuld. Vanaf september gaat hij naar school. Hij heeft er zin in. Vind het alleen maar leuk en spannend. Ik zie weer eens heel veel beren op de weg, die zoals altijd als een fata morgana zullen verdwijnen zodra we dichtbij komen. Voor ik het weet gaat hij op een echte fiets naar school. Alleen. Zonder mij of mijn lief, want dan is het niet meer stoer om door je mama of papa gebracht te worden. Zal hij ook hele stukken gaan fietsen om bij vriendjes te spelen. Kan ik nog meer angsten gaan hebben. Laat ik blij zijn dat hij nu alleen nog maar in onze straat fietst. Dat hij nog niet naar zijn vriendinnetje aan de andere kant van het dorp wil fietsen. Alleen. Dat is namelijk zeker drie kilometer en dan moet hij langs een drukke weg en over het spoor. Die tijd komt vanzelf. Ik wil er nog even niet aan denken.

2 REACTIES

  1. Hey Reindert! Dát is lang geleden! Om eerlijk te zijn was ik je naam vergeten, maar toen ik hem las wist ik het weer, wat leuk! 🙂 Het gaat goed, ben halverwege de middelbare school met mijn ouders naar Zeeuws-Vlaanderen verhuist en uiteindelijk in Groningen beland. Woon nu in Hoogezand, getrouwd en wel. Heb ook nog een dochter van 10 maanden. Zit hier prima op mijn plek 🙂
    Hoe gaat het met jou dan?

  2. Hoi Ellen.
    Leuk om te lezen dat het goed met je gaat. Een mooie zoon en lieve man. Je weet waarschijnlijk niet meer wie ik ben maar we hebben ooit in Goes verkering gehad. Toen zaten we op de beatrixschool en woonde je naast de kerk Ik vroeg me af hoe het met jouw ging. Groeten Reindert

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here