Zo klaar als een klontje

Zaterdagochtend, half negen. Ik en oudste dochter komen aanrijden bij de manege. Twee paardenhoofden steken naar buiten. ‘Mag ik ze aaien?’ vraagt dochter. ‘Even dan,’ zeg ik huiverend en til haar op. ‘Ze wachten op ons.’

Samen met een groep vrijwilligers gaan wij vandaag, in het kader van wat het jaarlijkse evenement NL doet, de tuin van de naastgelegen vakantiewoning voor mensen met beperkingen zomerklaar maken. Het busje van het hoveniersbedrijf staat al klaar, uit de aanhangwagen steken takken. Enkele van mijn collega’s zijn reeds aan het werk gezet. Een man met groene tuinbroek rent druk heen en weer. We lopen zijn richting op.

‘Wij komen in de tuin helpen,’ zeg ik.

Hij wrijft in zijn handen. ‘Ik ga snoeien, als jullie het op willen ruimen, dan gaan we daarna planten.’ Hij zet een soort koptelefoon op en start zijn snoeischaar. Rakelings gaat hij langs dochters benen, ik trek haar snel achteruit. ‘Blijf maar uit de buurt van die meneer,’ roep ik in haar oor. Samen gooien we het tuinafval op een kruiwagen.

‘Waar moet dit heen?’ gil ik tegen de tuinman.

‘Loods, rechtsachter,’ roept hij terug.

In de loods zijn de stallen van de paarden gehuisvest. Een paar meiden met lange stroblonde vlechten zijn bezig mest bijeen te vegen. ‘Waar is de composthoop?’ vraag ik één van hen.

‘Geen idee. Ik ben hier voor de stallen,’ antwoordt het wicht, de neus in de lucht.

Ik trek mijn wenkbrauwen op en we lopen verder.

‘Ik hou van paarden,’ zegt mijn dochter. ‘Mag ik ook op paardrijles?’

‘Die dieren zijn hoog, hoor,’ zeg ik nogal hard en vervolg zachter met: ‘Daar moet je overheen getild worden.’

We vinden de hoop met vlak ervoor een berg paardenuitwerpselen. Ik haal mijn neus op. Met dochter in de geleegde kruiwagen hobbel ik terug naar de tuin.

Het planten van de verschillende struikjes en bodembedekkers valt niet mee, Zeeuwse klei is hard. Tuinman doet het ons voor. Het valt ons op dat hij niet bepaald zachtzinnig te werk gaat. ‘Goed aanstampen,’ zegt hij. ‘Met de hiel.’ Aan het einde van de dag kijken wij tevreden naar de prachtige tuin met een omvang van vele vierkante meters.

‘Die takken zou ik graag nog gesnoeid zien…,’ probeert Tuinman.

‘Heeft u pleisters?’ vraagt een collega met luide stem aan de secretaris. Ze knikt. ‘Komen jullie nog even binnen?’ Na een dankwoord maken wij ons klaar voor vertrek.

Dochter en ik sloffen richting de manege. ‘Dag paardjes,’ zegt ze. ‘Tot volgend jaar!’ Goddank.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Scroll naar top